Ik moest enige tijd geleden weer eens in Utrecht zijn voor een bijeenkomst op het dienstencentrum van de landelijke kerk. Onderweg daarheen reden we als vanzelf in de file. Ondanks dat we op tijd waren weggegaan kwamen we niet ruim, maar net op tijd aan. We moesten twee uur rijden voor een vergadering van twee uur. En natuurlijk ook weer twee uur terug. Niets bijzonders als je in het Noorden van het land woont, zoals wij allemaal.
Maar voor de mensen in het westen is Groningen twee keer zover weg van Utrecht als andersom. Maar dat terzijde. In Utrecht was het druk en vol, overal huizen, nergens uitzicht. Na de vergadering reden we weer terug en voorbij Lelystad, ademden we letterlijk en figuurlijk weer op. Er was weer ruimte, je kon de horizon weer zien. Op het moment dat ik een uurtje later dan onze provincie weer binnenrijdt, dat weet ik het zeker, hier hoor ik thuis. Ik geniet van onze provincie met ieder zijn eigen karakteristieke eigenschappen.

Onze eigen dorpen liggen in de Veenkolonieën. Lange kanalen, lintdorpen en rechte lijnen vertellen het verhaal van ontginning en hard werken. Het is een landschap met een sobere schoonheid, waar structuur en geschiedenis zichtbaar zijn gebleven. En dan als we naar het oosten gaan zijn we in het prachtige Oldambt. Grote akkers, rechte wegen en ruime vergezichten bepalen hier het beeld. Het is een landschap van arbeid en ruimte, waar de lucht net zo’n rol speelt als het land zelf.
En naar het zuiden Westerwolde. Hier geen weidse leegte, maar een kleinschalig, bijna besloten landschap. Bossen, houtwallen, beekjes en slingerende zandwegen geven dit gebied een zachte, groene uitstraling. Dit is een landschap waarin je niet ver kijkt, maar juist wordt uitgenodigd om stil te staan.

Samen laten deze landschappen zien hoe veelzijdig Groningen is: open én besloten, strak én kronkelend, stil én levendig. Wie goed kijkt, ontdekt dat juist deze verschillen het Groninger land zijn eigen kracht en schoonheid geven.
En daarom ben ik blij dat ik hier mag wonen en werken.
Ds. Raymond Poede.