Al enige tijd liet ik het er een beetje bij zitten. Het gras stond hoog, gevaarlijk hoog zelfs — zo hoog dat de kabouters aan de deur kwamen kloppen met de mededeling dat het onder hun oksels begon te kriebelen. Tijd voor actie dus.
Nu had ik mij, vooruitdenkend als ik ben, voor de winter al voorzien van een grasmaaier. Maar niet zomaar een grasmaaier. Nee — een robot. Een ding dat zelf nadenkt, zelf rijdt, zelf maait, en daar verder niemand bij nodig heeft.
Vandaag werd hij geïnstalleerd door een bijzonder behulpzame en vriendelijke jongeman, die met engelengeduld uitlegde hoe het apparaat werkt. En sindsdien rijdt er dus een kleine, ronkende robot over mijn erf. Rustig, doelgericht, onvermoeibaar. Een vreemd gezicht.
Onze hond is er nog niet over uit. Ze heeft besloten dat dit ding een bedreiging vormt voor de wereldvrede, en probeert het met luid geblaf op andere gedachten te brengen. Het robot-maaiertje trekt zich er niets van aan. Het rijdt gewoon door. Onverstoorbaar.
En dan dringt zich een bijbels beeld op.
In Psalm 23 lezen we over iemand die geleid wordt — niet door eigen kracht of eigen inzicht, maar door een kracht die hem voorgaat. “Hij doet mij neerliggen in groene weiden.” Groene weiden — daar moet dus wel iemand of iets voor zorgen. De tuin vraagt onderhoud. Het leven vraagt aandacht.
Maar misschien zit de eigenlijke les bij de hond.
Wij mensen lijken soms op haar. Als er iets nieuws op ons pad komt — iets onbekends, iets wat wij niet begrijpen of niet gevraagd hebben — is onze eerste reactie: blaffen. Waarschuwen. Op afstand houden. Dit ken ik niet, dus het deugt niet.
Maar het leven — en ook het geloof — vraagt soms om een andere houding. Om nieuwsgierigheid in plaats van angst. Om te kijken wat iets te bieden heeft, in plaats van het weg te blaffen.
De robot maait vrolijk verder. Het gras wordt korter. De kabouters kunnen weer rechtop staan.
En de hond? Die went wel. Dat doen we allemaal, uiteindelijk.
Ds. Raymond Poede.
